Het jaarlijkse rapport Education at a Glance (EAG) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bevat gegevens over onder andere de structuur, financiën en prestaties van het onderwijs in de OESO-landen. Het rapport biedt waardevolle informatie over de positie van het Nederlandse onderwijsstelsel en geeft inzicht in belangrijke (internationale) trends. Het EAG-rapport 2026 is op 29 september door de OESO gepubliceerd.
Ieder jaar krijgt één thema extra aandacht in de publicatie. Dit jaar is dat lerarentekorten. Met indicatoren over onder andere onvervulde vacatures, tevredenheid van leraren met het beroep, zij-instromers en leeftijdsopbouw van leraren geeft het rapport inzicht in de verschillen tussen landen die lid zijn van de OESO. Hieronder lichten we een verzameling opvallende en relevante Nederlandse cijfers uit, mede bezien vanuit internationaal perspectief. Het volledige rapport is beschikbaar op de website van de OESO.
Lerarentekorten en personeelskenmerken
Naast de observatie van het huidige lerarentekort in Nederland en andere landen biedt EAG 2026 inzicht in het verloop onder leraren: de uitstroom vanuit het lerarenberoep is iets hoger (6,9%) dan het OESO-gemiddelde (6,4). Wel loopt Nederland internationaal voor op het gebied van zij-instromers in het onderwijs. We zien dat 16,9% van alle leraren tien jaar (of meer) in een andere sector heeft gewerkt, waar dit in de OESO 8,4% is. Zij-instromers die minder dan tien jaar werkervaring in een andere sector hebben, zijn in deze cijfers niet meegenomen
EAG 2026 biedt ook inzicht in de opbouw van het onderwijzend personeel: Nederland heeft met 2,0% een relatief laag aandeel leraren dat niet (volledig) bevoegd is tegenover het OESO-gemiddelde van 9,1%. Ook zien we minder 55-plussers onder leraren dan in de gehele arbeidsmarkt. Verder is een groei zichtbaar van het aandeel vrouwelijke leraren in managementposities binnen zowel het po als vo, al ligt het aandeel relatief gezien nog laag.
Bekijk EAG cijferinformatie over;
Hoog opgeleid en relatief veel internationale studenten
Zoals ook uit eerdere edities van EAG blijkt, bezit een relatief groot deel van de Nederlandse beroepsbevolking een hbo en/of wo-diploma (46%, t.o.v. 43% in de OESO). Ook komt relatief een groot aandeel van de hbo- en wo-studenten niet uit Nederland: in 2024 was dit aandeel met 18% aanzienlijk groter dan het OESO-gemiddelde van 12%.
Bekijk EAG-cijferinformatie over;
Baan(on)zekerheid voor afgestudeerden
EAG laat zien dat voor elk opleidingsniveau de baanzekerheid hoger ligt dan het OESO-gemiddelde. Zo zien we dat Nederlanders zonder startkwalificatie meer kans hebben op een baan dan individuen in andere landen (68% t.o.v. 60% in de OESO). Wel zien we een sterke toename in de baanzekerheid naarmate het opleidingsniveau toeneemt (92% bij een masterdiploma in het hoger onderwijs).
Bekijk EAG-cijferinformatie over;
Studeren, werken of een combinatie van beide
Het valt op dat in Nederland veel 18-tot-24-jarige studenten hun studie met een (bij)baan combineren: 49%, het hoogste percentage van de OESO (gemiddeld 18%). Verder zien we dat het aantal jongeren (18-24 jaar) dat geen werk heeft en geen opleiding volgt relatief laag ligt (6,1% t.o.v. 14% in de OESO, de zogenaamde NEET’s). Maar ook is te zien dat dit percentage voor Nederland langzaam toeneemt (5,2% in 2024 naar 6,1% in 2025).
Bekijk EAG-cijferinformatie over;
Overzicht van uitgaven aan onderwijs
Zoals elk jaar biedt EAG een goed inkijkje in de uitgaven aan het onderwijs. Hierin wordt onderscheid gemaakt in bekostiging naar bron en onderwijsinstelling. In vergelijking met het OESO-gemiddelde zien we zowel in het secundair (2,2%) als in het hoger onderwijs (1,7%) hogere uitgaven uitgedrukt in percentage van het BBP. Voor primair onderwijs zit Nederland net iets onder het gemiddelde (1,2% t.o.v. 1,4%).