Onderstaande figuren tonen de publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair (basisonderwijs), secundair (vo en mbo) en tertiair (hoger onderwijs) onderwijs

Voor informatie over toedeling van Nederlandse onderwijsprogramma’s zie ISCED | OCW in cijfers.

Publieke, private en internationale uitgaven aan instellingen in het primair en lager secundair onderwijs per leerling

In dollars, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2023)

Bron: EAG 2026, tabel C3.1

De Nederlandse uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in zowel het primair onderwijs (basisonderwijs) als het lager secundair onderwijs liggen boven het OESO- en EU25-gemiddelde. Vooral in het lager secundair zien we een groot verschil met het gemiddelde, vergelijkbaar met landen als België en Denemarken.

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs aan het primaire onderwijsproces per leerling

In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2021)

Bron: EAG 2024, tabel C1.2

Uitgaven aan onderwijsinstellingen in het primair en secundair onderwijs kunnen verdeeld worden in uitgaven aan het primaire onderwijsproces en uitgaven ter ondersteuning van het onderwijs. Deze laatsten zijn bijvoorbeeld schoolmaaltijden en schoolvervoer verzorgd door de onderwijsinstellingen. In Nederland zijn deze uitgaven nihil, maar in sommige andere landen, zoals Finland en Frankrijk, vormen ze 14 tot 15% van de totale publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen. Als we de uitgaven aan het primaire onderwijsproces vergelijken, dan geeft Nederland méér uit per leerling dan gemiddeld in de OESO-landen en meer dan in Finland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In de Verenigde Staten, Denemarken en België zijn de uitgaven hoger dan in Nederland.

Publieke, private en internationale uitgaven aan instellingen in het hoger secundair onderwijs per leerling, naar type onderwijs

In dollars, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2023)

Bron: EAG 2026, tabel C4.1

In het figuur wordt Nederland vergeleken met landen die ook een (sterk) duaal stelsel kennen, d.w.z. een combinatie van leren en werken zoals in de beroepsgerichte leerweg (de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het mbo in Nederland).

De uitgaven per leerling in het mbo zijn hoger dan in het algemeen vormend onderwijs. Dit geldt in de meeste vergelijkingslanden en het betreft voor Nederland vooral de (private) uitgaven van bedrijven aan onderwijs en begeleiding van de leerlingen op de werkvloer. De Nederlandse uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs zijn hoger dan het OESO-gemiddelde.

Voor het mbo liggen de uitgaven per leerling fors boven het OESO gemiddelde. Slechts een beperkt deel van de OESO-landen kent een duaal stelsel. Een vergelijking met het OESO-gemiddelde wordt verder beïnvloed door verschillen in bekostigingssystematiek en de mate waarin landen in staat zijn de private uitgaven van bedrijven aan leerlingen in de beroepsgerichte leerweg te kwantificeren.

Publieke, private en internationale uitgaven aan instellingen in het tertiair onderwijs (hbo en wo) per student

In euro's omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (uitgaven incl. en excl. R&D, 2023)

Bron: EAG 2026, tabel C1.1

In de indicator zijn de collegegelden meegenomen, maar niet de uitgaven voor studiefinanciering. De Nederlandse uitgaven per student in- en exclusief R&D liggen boven het OESO-gemiddelde. In sommige landen vinden veel R&D activiteiten buiten de instellingen plaats, waardoor de internationale vergelijkbaarheid van de uitgaven inclusief R&D niet helemaal zuiver is.