Onderstaande figuren tonen de publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair (basisonderwijs), secundair (vo en mbo) en tertiair (hoger onderwijs) onderwijs
Voor informatie over toedeling van Nederlandse onderwijsprogramma’s zie ISCED | OCW in cijfers.
Publieke, private en internationale uitgaven aan instellingen in het primair en lager secundair onderwijs per leerling
In dollars, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2023)
De Nederlandse uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in zowel het primair onderwijs (basisonderwijs) als het lager secundair onderwijs liggen boven het OESO- en EU25-gemiddelde. Vooral in het lager secundair zien we een groot verschil met het gemiddelde, vergelijkbaar met landen als België en Denemarken.
Land Primair Lager secundair NLD 15942 20493 VK 15602 15077 VS 16605 17323 JAP 10996 12406 DUI 13163 16451 DEN 17184 21008 BEL 16818 21886 FRA 12310 14699 0 0 OESO 13639 15287 EU25 13038 15428 Definitie: Studiefinanciering is niet meegenomen om internationale vergelijkbaarheid te waarborgen. Alleen onderwijsinstellingen waar zowel het aantal inschrijvingen als de uitgaven beschikbaar zijn worden meegenomen in de data.
Uitgaven worden omgerekend naar dollars door het bedrag te delen door de index voor koopkrachtpariteit van GDP.Zie ook de publicatie op de website van de OESO en OECD Handbook for Internationally Comparative Education Statistics
Bron: EAG 2026, tabel C3.1
Beschikbaar: 29 september 2026
Publicatiedatum: 29 september 2026
Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs aan het primaire onderwijsproces per leerling
In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2021)
Uitgaven aan onderwijsinstellingen in het primair en secundair onderwijs kunnen verdeeld worden in uitgaven aan het primaire onderwijsproces en uitgaven ter ondersteuning van het onderwijs. Deze laatsten zijn bijvoorbeeld schoolmaaltijden en schoolvervoer verzorgd door de onderwijsinstellingen. In Nederland zijn deze uitgaven nihil, maar in sommige andere landen, zoals Finland en Frankrijk, vormen ze 14 tot 15% van de totale publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen. Als we de uitgaven aan het primaire onderwijsproces vergelijken, dan geeft Nederland méér uit per leerling dan gemiddeld in de OESO-landen en meer dan in Finland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In de Verenigde Staten, Denemarken en België zijn de uitgaven hoger dan in Nederland.
Land 2021 NLD 12817,31 VK 12304,98 VS 14249,34 FIN 10551,26 DUI 12432,91 DEN 15563,65 BEL 13227,89 FRA 9150,306 OESO 11871,74 EU25 10983,15 Definitie: Studiefinanciering is niet meegenomen om internationale vergelijkbaarheid te waarborgen. Alleen onderwijsinstellingen waar zowel het aantal inschrijvingen als de uitgaven beschikbaar zijn worden meegenomen in de data.
Uitgaven worden omgerekend naar dollars door het bedrag te delen door de index voor koopkrachtpariteit van GDP.
Onder het primaire onderwijsproces vallen salarissen, bouw en onderhoud van schoolgebouwen, leermiddelen, boeken en administratie.Zie ook de publicatie op de website van de OESO en OECD Handbook for Internationally Comparative Education Statistics
Deze indicator geeft het totaal voor primair, secundair onderwijs en post secundair non-tertiair onderwijs (bestaat in Nederland vrijwel niet): isced 1, 2, 3 en 4 samengenomen.
Bron: EAG 2024, tabel C1.2
Beschikbaar: 12 september 2024
Publicatiedatum: 12 september 2024
Publieke, private en internationale uitgaven aan instellingen in het hoger secundair onderwijs per leerling, naar type onderwijs
In dollars, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2023)
In het figuur wordt Nederland vergeleken met landen die ook een (sterk) duaal stelsel kennen, d.w.z. een combinatie van leren en werken zoals in de beroepsgerichte leerweg (de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het mbo in Nederland).
De uitgaven per leerling in het mbo zijn hoger dan in het algemeen vormend onderwijs. Dit geldt in de meeste vergelijkingslanden en het betreft voor Nederland vooral de (private) uitgaven van bedrijven aan onderwijs en begeleiding van de leerlingen op de werkvloer. De Nederlandse uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs zijn hoger dan het OESO-gemiddelde.
Voor het mbo liggen de uitgaven per leerling fors boven het OESO gemiddelde. Slechts een beperkt deel van de OESO-landen kent een duaal stelsel. Een vergelijking met het OESO-gemiddelde wordt verder beïnvloed door verschillen in bekostigingssystematiek en de mate waarin landen in staat zijn de private uitgaven van bedrijven aan leerlingen in de beroepsgerichte leerweg te kwantificeren.
Land Algemeen (in NED bovenbouw havo en vwo) Beroepsgericht (in NED mbo 2-4) NLD 18303 20494 VK 17753 15047 OOS 18189 23418 FIN 11908 11900 DUI 19238 27880 DEN 9794 18690 BEL 18441 21481 FRA 18175 22033 OESO 13388 16104 EU25 12949 16382 Definitie: Studiefinanciering is niet meegenomen om internationale vergelijkbaarheid te waarborgen. Alleen onderwijsinstellingen waar zowel het aantal inschrijvingen als de uitgaven beschikbaar zijn worden meegenomen in de data.
Uitgaven worden omgerekend naar dollars door het bedrag te delen door de index voor koopkrachtpariteit van GDP.Zie ook de publicatie op de website van de OESO en OECD Handbook for Internationally Comparative Education Statistics
Bron: EAG 2026, tabel C4.1
Beschikbaar: 29 september 2026
Publicatiedatum: 29 september 2026
Publieke, private en internationale uitgaven aan instellingen in het tertiair onderwijs (hbo en wo) per student
In euro's omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (uitgaven incl. en excl. R&D, 2023)
In de indicator zijn de collegegelden meegenomen, maar niet de uitgaven voor studiefinanciering. De Nederlandse uitgaven per student in- en exclusief R&D liggen boven het OESO-gemiddelde. In sommige landen vinden veel R&D activiteiten buiten de instellingen plaats, waardoor de internationale vergelijkbaarheid van de uitgaven inclusief R&D niet helemaal zuiver is.
Land Tertiair incl RnD Tertiair excl RnD NLD 26538 17223 VK 34269 28081 VS 39551 34303 FIN 21179 11065 DUI 24738 13950 DEN 32299 14643 BEL 26885 16776 FRA 23285 16970 OESO 22878 16058 EU25 22211 14780 Definitie: Studiefinanciering is niet meegenomen om internationale vergelijkbaarheid te waarborgen. Alleen onderwijsinstellingen waar zowel het aantal inschrijvingen als de uitgaven beschikbaar zijn worden meegenomen in de data.
Uitgaven worden omgerekend naar dollars door het bedrag te delen door de index voor koopkrachtpariteit van GDP.
Research and Development (R&D) omvat onderzoek dat wordt uitgevoerd aan universiteiten en andere instellingen voor hoger onderwijs, ongeacht of dit onderzoek wordt gefinancierd vanuit de instelling of via subsidies en private financiers.Zie ook de publicatie op de website van de OESO en OECD Handbook for Internationally Comparative Education Statistics
Bron: EAG 2026, tabel C1.1
Beschikbaar: 29 september 2026
Publicatiedatum: 29 september 2026