Universiteiten, universitaire medische centra (umc’s) en hogescholen zijn essentieel voor zowel het onderwijs als het onderzoek in Nederland. Er is een sterke verwevenheid tussen die twee taken en het ministerie van OCW financiert beide structureel. Het aandeel onderzoek hierin schommelt de laatste jaren rond 40%.
De prestaties van de onderwijsinstellingen zijn (deels) afhankelijk van de inzet van hun onderzoekscapaciteit en personeel.
Onderzoekscapaciteit
De universiteiten en hogescholen zien hun totale onderzoekscapaciteit trendmatig toenemen. Die capaciteit wordt bekostigd vanuit drie verschillende geldstromen. De 1e geldstroom is relatief het grootst en komt rechtstreeks van de rijksoverheid. De instellingen bepalen zelf waar ze het geld aan besteden. Bij de hogescholen zien we het aantal medewerkers in onderzoeksfuncties (lectoren, onderzoekers en onderzoeksondersteuning) vanaf 2016 stijgen, ook als dit afgezet wordt tegen het aantal studenten.
Personeel
Bij de onderwijsinstellingen geldt hoe hoger de functiecategorie, hoe lager het aandeel tijdelijke contracten en hoe (gemiddeld) ouder het wetenschappelijk personeel. Bij de universitair docenten lijkt een verjonging op te treden.
Over de hele linie stijgt het aandeel vrouwen in de wetenschap. Die stijging is het sterkst bij hoogleraren en universitair hoofddocenten. Het aandeel vrouwen is nu het hoogst bij de ‘startende’ wetenschappers. In het hbo groeit het aantal vrouwen licht; meer dan de helft van het personeel is vrouw.
Steeds meer wetenschappers hebben een internationale herkomst. Hoe hoger de functie hoe lager het aandeel ‘internationaal’.