Er zijn grotere en kleinere universiteiten. De figuur laat zien hoe de onderzoekscapaciteit is verdeeld over de universiteiten naar geldstroom. Deze gegevens over de onderzoekscapaciteit naar geldstroom zijn beschikbaar tot en met 2017, daarna niet meer.
Onderzoekscapaciteit per universiteit en naar geldstroom, 2017
in fte
Anno 2017 is de eerste geldstroom (WP1) nog steeds de grootste geldstroom met 43% van de totale onderzoekscapaciteit. De tweede geldstroom (WP2) neemt 25% voor zijn rekening en de derde geldstroom (WP3) 32%.
Bij alle universiteiten is het aantal FTE onderzoeksinzet WP1 groter dan de onderzoeksinzet WP2. Bij het merendeel van de universiteiten is het aandeel WP1 ook groter dan WP3. Uitzonderingen hierop zijn TU Delft (TUD) en de Universiteit van Maastricht. De Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Erasmus Universiteit (EUR) hebben een relatief groot aandeel WP2 onderzoeksinzet (meer dan 6% boven het gemiddelde aandeel WP2 onderzoekinzet) vergeleken met de andere universiteiten.
Universiteit 1e geldstroom 2e geldstroom 3e geldstroom UU 1103 728 668 LEI 960 730 770 RU 1024 515 810 TUD 607 517 821 RUG 906 379 544 VU 700 373 663 UvA 682 490 362 EUR 784 463 253 UM 581 166 658 TUE 528 294 413 UT 442 255 321 WU 386 298 303 TiU 332 85 71 OU 58 8 18 Bron: VSNU / KUOZ
Definitie: De gepresenteerde gegevens zijn afkomstig van opgaven van universiteiten over onderzoeksinzet en -output op basis van onderling afgesproken definitie-afspraken. De gegevens zijn niet gebaseerd op de totale onderzoekscapaciteit: bij de Universiteit Leiden ontbreken de gegevens voor het gebied gezondheid tot 2008, bij de Universiteit van Amsterdam ontbreken deze vanaf 2008. Deze gegevens worden sinds 2017 niet meer op deze manier beschikbaar gesteld.
Beschikbaarheid: Jaarlijks tot en met 2017.
Laatste publicatiedatum: November 2019.