De figuur laat zien hoeveel onderzoekscapaciteit van het wetenschappelijk personeel de universiteiten jaarlijks inzetten en wat de ontwikkeling van die capaciteit is.
Deze gegevens worden vanaf 2017 op een andere manier verzameld, waardoor een continuering van deze tijdreeks niet meer mogelijk is.
Universitaire onderzoekscapaciteit alle geldstromen
in fte
De totale onderzoekscapaciteit van de universiteiten laat een regelmatige opwaartse trend zien over de periode 2000-2018. In 2007 en 2012 is er een dip, en ook 2016 laat een lichte daling zien, gevolgd door een stijging in 2017. De daling in 2016 is voornamelijk het gevolg van een afname in de onderzoeksinzet in de derde geldstroom (contractonderzoek).
Periode Totaal 2000 14586 2001 14919 2002 15203 2003 15666 2004 16002 2005 16580 2006 16647 2007 16514 2008 17646 2009 18327 2010 18898 2011 19682 2012 19588 2013 19931 2014 20446 2015 20752 2016 20621 2017 21067 Bron: VSNU / KUOZ
Definitie: De gepresenteerde gegevens zijn afkomstig van opgaven van universiteiten over onderzoeksinzet en -output op basis van onderling afgesproken definitie-afspraken. De gegevens zijn niet gebaseerd op de totale onderzoekscapaciteit: bij de Universiteit Leiden ontbreken de gegevens voor het gebied gezondheid tot 2008, bij de Universiteit van Amsterdam ontbreken deze vanaf 2008. Deze gegevens worden vanaf 2017 op een andere manier verzameld, waardoor een continuering van deze tijdreeks niet meer mogelijk is.
Beschikbaarheid: jaarlijks, tot en met 2017
Laatste publicatiedatum: november 2019
Universitaire onderzoekscapaciteit per geldstroom
in % van het totaal
De onderzoekscapaciteit kent een drietal financieringsbronnen: de eerste geldstroom, als lumpsum afkomstig van de Rijksoverheid, de tweede geldstroom, afkomstig van de financiering van projecten en programma's door de wetenschapsfinancier NWO en de derde geldstroom, het onderzoek dat uit verschillende publieke en private bronnen, nationaal en internationaal, wordt gefinancierd.
In de periode 1997-2011 vertoont het WP1 (eerste geldstroom) als aandeel van de totale onderzoekscapaciteit een dalende trend, terwijl de aandelen van het WP2 (tweede geldstroom) en het WP3 (derde geldstroom) in deze periode beide toenemen. Er zijn in de tussenliggende jaren wel wat schommelingen. Vanaf 2011 lijken de aandelen van de verschillende geldstromen te stabiliseren. In 2016 neemt het aantal FTE onderzoeksinzet in de derde geldstroom af terwijl de eerste en tweede geldstroom licht toenemen. Hierdoor daalt de derde geldstroom (o.a. contractonderzoek) als aandeel van de totale onderzoekscapaciteit. In 2017 neem het aandeel derde geldstroom weer iets toe en daalt het aandeel van de eerste geldstroom licht.
Na 2017 zijn er geen gegevens meer beschikbaar over de onderzoekscapaciteit bij de universiteiten naar geldstroom.
Periode Eerste geldstroom (%) Tweede geldstroom (%) Derde geldstroom (%) 2000 51,8 20,6 27,6 2001 51 21,4 27,6 2002 50 23 27 2003 48,3 23,9 27,8 2004 48 24 28 2005 47,3 24,9 27,7 2006 46,9 24,6 28,5 2007 45,8 24,2 30 2008 46,8 23,6 29,6 2009 45,8 23,2 31 2010 44,7 23,4 31,9 2011 42,9 24,7 32,4 2012 42,5 25 32,5 2013 42,8 25,5 31,7 2014 42,6 25,4 32 2015 42,6 24,7 32,7 2016 43,9 25 31,1 2017 43,2 25,2 31,7 Bron: VSNU /KUOZ
Definitie: De gepresenteerde gegevens zijn afkomstig van opgaven van universiteiten op basis van onderling afgesproken definitie-afspraken. De gegevens geven niet de totale onderzoekscapaciteit weer: bij de Universiteit Leiden ontbreken de gegevens voor het gebied gezondheid tot 2008, bij de Universiteit van Amsterdam ontbreken deze vanaf 2008. Na 2017 zijn er geen gegevens meer beschikbaar over de onderzoekscapaciteit bij de universiteiten naar geldstroom.
Beschikbaar: Jaarlijks, tot en met 2017
Laatse publicatiedatum: November 2019