De Referentieraming presenteert de verwachte ontwikkeling van het aantal leerlingen en studenten voor het bekostigd onderwijs voor de komende jaren. De raming dient o.a. als onderbouwing voor de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW, deel onderwijs). De Referentieraming 2026 (RR2026) van leerlingen en studenten in het Nederlandse bekostigde onderwijs is op 2 april 2026 gepubliceerd. De belangrijkste veranderingen per sector worden hieronder besproken. In het rapport vindt u een uitgebreidere toelichting.

Het onderwijs krimpt al sinds 2020 licht. Daarmee volgt het de demografische ontwikkelingen nationaal; er zijn daarmee naar verwachting minder kinderen en jongvolwassenen in Nederland de komende jaren. De verwachting is dat de licht dalende trend zich tot en met 2034 doorzet maar dat het aantal leerlingen en studenten daarna weer stijgt. Op 1 oktober 2025 waren er 3.640.100 leerlingen en studenten ingeschreven in het Nederlandse bekostigde onderwijs. In 2032 zijn dat volgens de huidige raming 3.488.400 leerlingen en studenten. Dit is berekend op basis van de door CBS voorspelde demografische ontwikkelingen.

De referentieraming uit het vorig jaar (2025) was een zeer nauwkeurige voorspelling voor het studiejaar 2025/2026. De Referentieraming 2025 voorspelde 1200 leerlingen en studenten meer dan er uiteindelijk in het onderwijs zaten, op een totaal van 3,6 miljoen, en zat er 0,03% naast. Tegelijkertijd bleven onverwachte schokken uit, zoals eerder de coronapandemie en de onverwacht grote migratiestromen door oorlogen.

Primair onderwijs

Het aantal leerlingen in het primair onderwijs (po) neemt licht af in de komende jaren. In 2025 zijn er 1.465.300 leerlingen ingeschreven in het po. In 2032 daalt dat aantal volgens de huidige raming naar 1.421.100 leerlingen. Na 2032 zal het aantal leerlingen in het primair onderwijs weer toenemen. De ontwikkelingen in het po zijn grotendeels het gevolg van demografische trends. De raming in 2026 wijkt weinig af van die van vorig jaar, het aantal leerlingen is in 2025 400 lager uitgekomen dan toen werd geraamd.

Het aantal kinderen dat geen bekostigd onderwijs volgt, blijft toenemen.[1] Voor de groep 5-11 jarigen als geheel is dit in deze periode gestegen van 0,4% in 2015 tot 1% in 2025. Een aantal mogelijke oorzaken kunnen liggen in:

  • Er is een toename in het aantal vrijstellingen van onderwijs om lichamelijke of psychische redenen.[2]
  • Het aantal vrijstellingen omtrent richtingsbezwaar neemt al enige tijd toe.
  • Er is een relatief grote toename van leerlingen in het particulier onderwijs. De omvang van de sector blijft beperkt.
  • Er is daarnaast ook sprake van andere oorzaken. Denk bijvoorbeeld aan minderjarige vreemdelingen, ontheemden uit Oekraïne, maar ook kinderen die geen onderwijs volgen door het ontbreken van een  passend onderwijsaanbod of waar andere problemen (buiten het onderwijs) spelen.

Uit deze referentieraming 2026 blijkt ook dat het aantal leerlingen dat de verschillende soorten speciaal onderwijs instroomt lager is dan vorig jaar werd verwacht. Er zijn twee opvallende trends die hieraan ten grondslag liggen: allereerst daalde de instroom vanuit het basisonderwijs naar het speciaal onderwijs. Daarnaast stroomden minder leerlingen in van buiten het onderwijs. Een sluitende verklaring ontbreekt. Op dit moment worden de redenen voor de ontwikkeling van het aantal leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs onderzocht.

Voor meer cijfers zie Prognoses voor het primair onderwijs

[1] Onderwijsdeelname wordt in de Referentieraming enigszins rudimentair berekend door het aantal 5-jarigen in het bekostigd onderwijs te delen door het totaal aantal 5-jarigen in Nederland. Dit betekent dat bijvoorbeeld Belgische kinderen die net over de grens wonen en in Nederland naar school gaan meetellen, terwijl Nederlandse kinderen die in België naar school gaan niet meetellen.

[2] Zie tabel 11 in https://open.overheid.nl/documenten/13d899a0-dc5a-4f32-b4a3-ef85cd2201f0/file

Voortgezet onderwijs

Ook in het voorgezet onderwijs (vo) daalt momenteel het aantal leerlingen. In 2025 zijn er 919.800 leerlingen in het vo geregistreerd. Dit zijn 700 leerlingen meer dan verwacht in de referentieraming van vorig jaar. In 2032 zijn er naar verwachting 874.100 leerlingen in het vo.

In het voortgezet onderwijs zijn leerlingen minder blijven zitten dan vorig jaar. Vooral in het havo zijn er na de coronapiek minder zittenblijvers. Voor het vmbo is de daling van het aantal zittenblijvers ook aanzienlijk. In vwo en de brugklas zijn er maar iets minder zittenblijvers. De slagingskansen zijn lager dan vorig jaar, met name in het havo en vwo[3]. Verder herstel van de slagingskansen na corona blijft vooralsnog uit.

In het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) zijn in 2025 15.300 studenten geteld. Dit zijn er 1.200 meer dan verwacht. Dit komt deels door de lagere slagingskansen in de havo en het vwo. De verwachting is dat aantal leerlingen op het vavo daalt tot 14.100 in 2032.

Voor meer cijfers zie Prognoses voor het voortgezet onderwijs

[3] Examenmonitor Voortgezet Onderwijs 2025 | Rapport | Rijksoverheid.nl

Middelbaar beroepsonderwijs

In het mbo zijn 466.600 studenten geteld in 2025. Dit zijn 1.200 studenten minder dan verwacht. Het aantal mbo-studenten stijgt tot en met 2027 nog licht tot 472.400 studenten en daalt daarna tot 457.400 studenten in 2032.

Op dit moment zijn 329.600 bol-studenten en 137.000 bbl-studenten geteld. De verwachting is dat de door CPB verwachte stijging van de werkloosheid leidt tot meer bol- en minder bbl-studenten. Bij hoge werkloosheid zijn er minder plekken in de beroepsbegeleidendeleerweg (bbl), waardoor de beroepsopleidende leerweg (bol) een groter deel van het mbo uitmaakt.

Sinds 2015 is het aantal stapelaars in het mbo gedaald. Dit geldt ook voor doorstroom van mbo-4 naar hbo. Dit zou kunnen komen door dat mbo-studenten vaker op het juiste niveau instromen en dat stapelen daarom niet meer nodig is. Dit is een mogelijk gevolg van een wijziging in de bekostiging van het mbo uit 2015. Een andere mogelijke reden is de aantrekking van de arbeidsmarkt, waarbij verder doorstuderen maar beperkt loont.

Voor meer cijfers zie Prognoses voor het middelbaar beroepsonderwijs

Hoger beroepsonderwijs

In het hoger beroepsonderwijs (hbo) daalt het aantal inschrijvingen verder in de komende jaren. In 2025 zijn er 439.500 studenten ingeschreven in het hbo. Dit zijn 1.000 leerlingen meer dan vorig jaar verwacht. Naar verwachting zijn daalt het aantal hbo-studenten in 2032 tot 415.800.

In het hbo zijn in 2025 substantieel meer diploma’s gehaald dan verwacht, wat betekent dat hbo-studenten sneller dan verwacht afstudeerden. Ook verlieten minder studenten dan verwacht de hogeschool zonder diploma.

Voor meer cijfers zie Prognoses voor het hoger beroepsonderwijs

Wetenschappelijk onderwijs

In het wetenschappelijke onderwijs (wo) neemt het aantal studenten naar verwachting ook af. In 2025 volgen er 333.800 studenten een studie. Dit zijn 2.500 studenten minder dan vorig jaar verwacht. In 2032 studeren er naar verwachting 305.900 in het wo.

Ook in het wo zijn in 2025 substantieel meer diploma’s gehaald dan verwacht, zowel door Nederlandse als door internationale studenten. Opvallend is dat meer dan 40% van derdejaarsstudenten in het wo in 2025 een bachelorsdiploma heeft gehaald. Dit geldt voor 32% van de Nederlandse studenten en voor 63% van de internationale studenten. Voor Nederlandse studenten was dit percentage enkel in 2015 en 2016 hoger. Voor internationale studenten was het zelfs nooit eerder zo hoog. De instroom van internationale studenten is ten opzichte van vorig jaar opnieuw gedaald en zal naar verwachting de komende jaren verder dalen. Dit is mogelijk een gevolg van het beleid, maar kan ook aan andere factoren liggen, zoals de krappe woningmarkt.

Voor meer cijfers zie Prognoses voor het wetenschappelijk onderwijs

Over de RR2026

De referentieraming leerling- en studentaantallen 2026 is beleidsarm opgesteld en vastgesteld door de directeur van de directie Kennis en Strategie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De externe Begeleidingscommissie Leerlingen- en Studentenraming (BLS) bevestigt de toegepaste methodologie en bevestigt dat de uitkomsten van de raming plausibel en onderbouwd zijn. In deze commissie zijn CBS, CPB, SCP, PBL, NIDI en de sectororganisaties van het onderwijs vertegenwoordigd; daarnaast nemen verschillende onafhankelijke ramings- en onderwijsexperts in deze BLS zitting.