Anders dan de rijksbijdrage die universiteiten ontvangen, zijn inkomsten uit de tweede en derde geldstroom vaak gekoppeld aan specifieke onderzoeksopdrachten. Van de instellingen wordt verwacht dat zij iedere euro aan projectfinanciering aanvullen met naar schatting gemiddeld 0,74 euro aan eigen middelen (Ernst & Young, 2014). Dit wordt ook wel matching genoemd. Dat betekent dat de tweede en derde geldstromen ook beslag leggen op een deel van de rijksbijdrage (eerste geldstroom). Het gaat bijvoorbeeld om matching voor projecten gefinancierd vanuit Horizon Europe, NWO of contractonderzoek.
De indicator matchingdruk meet de hoeveelheid eigen middelen die universiteiten aanvullend moeten besteden om onderzoek gefinancierd door derden (ook wel tweede- en derde geldstroom) te kunnen uitvoeren. Een hogere matchingsdruk betekent dat universiteiten minder middelen vrij hebben om te besteden aan bijvoorbeeld ongebonden onderzoek, onderwijskwaliteit, infrastructuur of kennisdeling.
De grafiek laat zien welk deel van de rijksbijdrage van universiteiten wordt besteed aan matching in de periode 2018-2024.
Matching als geschat percentage van de rijksbijdrage van universiteiten
In procenten
Sinds 2020 is het percentage dat universiteiten gemiddeld van de rijksbijdrage besteden aan matching naar schatting gelijk gebleven 27% in 2020 en in 2024. Dit betekent niet dat de omvang van matching gelijk is gebleven. Gecorrigeerd voor inflatie, met 2024 als basisjaar, nam het geschatte bedrag aan matching toe van circa 1,5 miljard euro in 2020 naar 1,7 miljard euro in 2024. De stijging van de bedragen is vooral te danken aan de groei van de rijksbijdrage en de tweede en derde geldstroom, waarop de schatting van matching is gebaseerd.
Tussen 2020 en 2024 daalde het geschatte matchingspercentage eerst naar 26% in 2021 en 25% in 2022. Sindsdien neemt het matchingspercentage weer toe.
Vanaf 2023 is er de Subsidieregeling matching Horizon Europe, waar kennisinstellingen in Nederland gedeeltelijke compensatie kunnen aanvragen voor matching bij deelname aan Europese onderzoeksprojecten. De compensatie mag 8% tot 15% zijn van het door de Europese Commissie toegekende subsidiebedrag. Voor de periode 2023-2029 is hiervoor een budget van ruim 564 miljoen euro beschikbaar via RVO. Mogelijk valt het bedrag dat instellingen vanuit de rijksbijdrage aan matching besteedden daardoor iets lager uit dan de bovenstaande schatting.
| Jaar | % |
|---|---|
| 2018 | 29% |
| 2019 | 30% |
| 2020 | 27% |
| 2021 | 26% |
| 2022 | 25% |
| 2023 | 26% |
| 2024 | 27% |
Bron: DUO, bewerking Rathenau Instituut.
Definitie: Matchingsdruk: de hoeveelheid eigen middelen die universiteiten moeten besteden om onderzoek gefinancierd door derden (2e en 3e geldstroom) te kunnen uitvoeren.
De indicator wordt hier berekend door de geschatte matching te delen door de rijksbijdrage. De geschatte matching is berekend door 0,74 te vermenigvuldigen met de inkomsten uit de tweede en derde geldstroom voor onderzoek.
In de grafiek worden de jaren 2020-2024 weergegeven. De jaren 2018 en 2019 zijn beschikbaar in de tabel maar worden niet weergegeven in de grafiek.
Beschikbaar: Jaarlijks in juni
Publicatiedatum: 26 augustus 2026