In Nederland is sprake van een sterke verwevenheid van onderwijs en onderzoek aan hoger onderwijsinstellingen. Het ministerie van OCW financiert beide taken via structurele financiering. Deze indicator geeft inzicht in de verhouding tussen de financiering voor de onderwijs- en onderzoekstaak van universiteiten en hogescholen.
Een groter aandeel onderwijs kan duiden op beperkingen ten aanzien van de ruimte voor onderzoek. Deze indicator wordt gemeten door (1) de rijksbijdrage voor onderwijs te delen door de totale rijksbijdrage voor onderwijs en onderzoek en (2) de rijksbijdrage voor onderzoek te delen door de totale rijksbijdrage voor onderwijs en onderzoek. Dit is apart gedaan voor het wo en hbo.
De grafiek laat de ontwikkeling zien van de verhouding tussen de rijksbijdrage voor onderzoek en onderwijs, in de periode van 2018-2026 (2025 voorlopig en 2026 begroot).
Verhouding rijksbijdrage aan universiteiten en umc’s voor onderzoek en onderwijs, in de periode van 2018-2026 (2025 voorlopig en 2026 begroot).
In procenten
Het aandeel van de rijksbijdrage voor onderwijs aan de universiteiten en umc’s ten opzichte van de totale rijksbijdrage loopt op van 45% in 2020 tot 47% in 2022. In 2023 en 2024 is er sprake van een kleine dip (naar 42% in 2024). In deze jaren stijgen de middelen uit de rijksbijdrage voor onderzoek en het studievoorschot kwaliteitsafspraken (een overige subsidie onder hoofdbekostiging) sterker dan de middelen voor het onderwijs. Vanaf 2025 loopt het aandeel voor onderwijs naar verwachting weer op naar 47%. De rijksbijdrage voor onderwijs stijgt van 2,4 miljard euro in 2020 tot 3,5 miljard euro in 2025 (+44%). In 2026 is er 3,4 miljard euro begroot.
Het aandeel van de rijksbijdrage voor onderzoek daalt van 41% in 2020 tot 38% in 2021 en 2022. Vanaf 2023 ligt dit aandeel weer op 40%, naar verwachting ook in 2026. De rijksbijdrage voor onderzoek nam toe van 2,2 miljard euro in 2020 tot 3,0 miljard euro in 2024 (+36%). In de jaren daarna daalt de rijksbijdrage naar verwachting licht, tot 2,9 miljard euro in 2026 (-2%).
Het aandeel van de werkplaatsfunctie umc’s (bekostiging ondersteuning geneeskunde onderwijs & onderzoek) komt naar verwachting op 12% uit in 2026.
Het aandeel van de overige subsidies, waaronder studievoorschot kwaliteitsafspraken (vanaf 2019) en bijdragen vanuit het Fonds onderzoek en wetenschap (vanaf 2022), stijgt tussen 2020 en 2024 van 2% naar 6% en daalt naar verwachting tot 1% vanaf 2025. Dit komt omdat vanaf 2025 de studievoorschotmiddelen zijn opgegaan in de reguliere bekostiging (met name de rijksbijdrage voor onderwijs) en de middelen uit het Fonds onderzoek en wetenschap naar verwachting vanaf 2025 iets afnemen.
| Jaar | Rijksbijdrage voor Onderwijs | Rijksbijdrage voor Onderzoek | Werkplaatsfunctie umc's (onderzoek en onderwijs) | Overige subsidies onder hoofdbekostiging, waarvan |
|---|---|---|---|---|
| 2018 | 45% | 41% | 14% | 0% |
| 2019 | 45% | 40% | 13% | 1% |
| 2020 | 45% | 41% | 13% | 2% |
| 2021 | 47% | 38% | 13% | 3% |
| 2022 | 47% | 38% | 12% | 4% |
| 2023 | 43% | 40% | 11% | 5% |
| 2024 | 42% | 40% | 11% | 6% |
| 2025 Voorlopig | 47% | 40% | 12% | 1% |
| 2026 Begroting | 47% | 40% | 12% | 1% |
Bron: Rijksbegrotingen OCW 2020-2026, artikel 7, tabel 37
Definitie: Verhouding tussen de ontvangen middelen uit de hoofdbekostiging voor onderwijs (hbo + wo), onderzoek (wo) en ontwerp & ontwikkeling (hbo), uitgedrukt in percentages van het totaal aantal middelen uit de hoofdbekostiging.
Het onderwijsdeel is het deel van de rijksbijdrage dat de instellingen ontvangen vanwege onderwijs. Elke universiteit ontvangt hiervan (1) een wettelijk vastgelegd percentage en (2) een wettelijk vastgelegde toekenning voor kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen. Het bedrag dat overblijft (3) wordt verdeeld op basis van het aantal studenten en toegekende diploma’s per universiteit.
Het onderzoeksdeel bestaat uit het deel van de rijksbijdrage voor wetenschappelijk onderzoek. Deze wordt over de universiteiten verdeeld op basis van 1) een wettelijk vastgesteld vast bedrag per universiteit, 2) het aantal bekostigde diploma’s en 3) het aantal promoties. Het bedrag dat hierna overblijft (4) wordt via een wettelijk vastgesteld percentage over de universiteiten verdeeld.
De universiteiten ontvangen een apart deel in de rijksbijdragen voor geneeskundig onderwijs en onderzoek (werkplaatsfunctie umc’s).
De financieringsmechanismen zijn vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, de specifieke bedragen worden jaarlijks vastgesteld in de ministeriële regeling financiën hoger onderwijs.
Beschikbaar: Jaarlijks in juni
Publicatiedatum: 4 september 2026
Verhouding rijksbijdrage aan hogescholen voor onderzoek en onderwijs, in de periode van 2018-2026 (2025 voorlopig en 2026 begroot).
In procenten
Het aandeel van de rijksbijdrage voor onderwijs aan de hogescholen ten opzichte van de totale rijksbijdrage daalt tussen 2020 en 2024 van 93% naar 86%, vanwege een stijging van de middelen uit het studievoorschot kwaliteitsafspraken (een overige subsidie onder hoofdbekostiging). Daarna groeit het aandeel van de rijksbijdrage voor onderwijs in 2025 en 2026 (verwacht) naar 95%. In deze jaren worden de middelen uit het studievoorschot kwaliteitsafspraken opgenomen in de rijksbijdrage voor onderwijs en onderzoek. De rijksbijdrage voor onderwijs stijgt van 3,2 miljard euro in 2020 tot 4,3 miljard euro in 2025 (+34%). In 2026 is er 4,2 miljard euro begroot.
Het aandeel van de bekostiging voor het praktijkgericht onderzoek in de rijksbijdrage blijft in diezelfde periode stabiel, namelijk tussen de 2 en 4%. De bekostiging voor het praktijkgericht onderzoek in de rijksbijdrage nam toe van 87,8 miljoen euro in 2020 tot 165,9 miljoen euro in 2025 (+89%) en blijft naar verwachting gelijk in 2026.
Overige subsidies, waaronder studievoorschot kwaliteitsafspraken (vanaf 2019), bekostiging flexibel ho voor volwassenen (vanaf 2018) en bijdragen vanuit het Fonds onderzoek en wetenschap (vanaf 2022), stijgen in aandeel van 4% in 2020 tot 10% in 2024 en dalen naar 1% in 2025 en 2026.
| Jaar | Rijksbijdrage voor Onderwijs | Rijksbijdrage voor Onderzoek (Ontwerp en ontwikkeling - praktijkgericht onderzoek) | Overige subsidies onder hoofdbekostiging, waarvan: |
|---|---|---|---|
| 2018 | 97% | 3% | 0% |
| 2019 | 93% | 3% | 4% |
| 2020 | 93% | 3% | 4% |
| 2021 | 92% | 2% | 6% |
| 2022 | 90% | 3% | 7% |
| 2023 | 88% | 3% | 9% |
| 2024 | 86% | 4% | 10% |
| 2025 Voorlopig | 95% | 4% | 1% |
| 2026 Begroting | 95% | 4% | 1% |
Bron: Rijksbegrotingen OCW 2020-2026, artikel 6, tabel 35
Definitie:
Verhouding tussen de ontvangen middelen uit de hoofdbekostiging voor onderwijs (hbo + wo), onderzoek (wo) en ontwerp & ontwikkeling (hbo), uitgedrukt in percentages van het totaal aantal middelen uit de hoofdbekostiging.
Het onderwijsdeel is het deel van de rijksbijdrage dat de instellingen ontvangen vanwege onderwijs. Elke hogeschool ontvangt hiervan (1) een wettelijk vastgelegd percentage en (2) een wettelijk vastgelegde toekenning voor kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen. Het bedrag dat overblijft (3) wordt verdeeld op basis van het aantal studenten en toegekende diploma’s perhogeschool.
Het onderzoeksdeel bestaat uit het deel van de rijksbijdrage voor ontwerp & ontwikkeling/praktijkgericht onderzoek (hbo). Hiervan ontvang elke hogeschool (1) een wettelijk vastgesteld bedrag per hogeschool. De middelen die overblijven worden verdeeld naar rato van de verdeling van het onderwijsdeel.
De financieringsmechanismen zijn vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, de specifieke bedragen worden jaarlijks vastgesteld in de ministeriële regeling financiën hoger onderwijs.
Beschikbaar: Jaarlijks in juni
Publicatiedatum: 4 september 2026