Kennisinstellingen ontvangen financiering uit verschillende bronnen (geldstromen). Deze indicator geeft inzicht in de verhoudingen tussen financieringsbronnen en verschuivingen hierin bij de hogescholen. Het gaat hierbij om middelen voor onderzoek en onderwijs.
De eerste geldstroom omvat financiering voor onderzoek en onderwijs die rechtstreeks van de rijksoverheid komt. De instellingen bepalen zelf hoe zij deze financiering besteden. De tweede geldstroom omvat de onderzoekfinanciering voor projecten via NWO en SIA. De derde geldstroom omvat baten uit contractonderwijs en onderzoeksopdrachten van derden, inclusief Europese gelden.
Gezamenlijk geeft de totale omvang van de geldstromen een overzicht van de hoeveelheid financiering van onderzoek en onderwijs aan de hogescholen. Daarnaast biedt het aandeel van de eerste geldstroom een indicatie van de ruimte voor ongebonden, nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek (hoewel ook in de overige geldstromen ruimte is voor dit type onderzoek). Andersom is het aandeel van competitieve financiering een indicatie voor sturing op onderzoek vanuit maatschappelijke of commerciële belangen. Veranderingen in de verhoudingen tussen de geldstromen geven een indicatie van ontwikkelingen in de afhankelijkheid van instellingen (en hun medewerkers) van middelen die in concurrentie worden verkregen.
De grafiek laat de ontwikkeling zien van de baten van hbo-instellingen per geldstroom, in de periode 2018-2024.
Baten van hbo-instellingen per geldstroom
In miljoenen euro’s
De totale baten van hbo-instellingen nemen toe van 4,5 miljard euro in 2018 tot 6,1 miljard euro in 2024 (+37,9%). De eerste geldstroom stijgt van 4,1 miljard euro in 2018 tot 5,7 miljard euro in 2024 (+39,0%). De tweede geldstroom stijgt van 12,4 miljoen euro in 2018 naar 39,3 miljoen euro in 2023 (+218,2%). Tussen 2023 en 2024 daalt de tweede geldstroom naar 35,0 miljoen euro in 2024 (-11,0%). De derde geldstroom stijgt van 186,5 miljoen euro in 2018 naar 274,8 miljoen euro in 2024 (+47,3%). De overige baten dalen daarentegen van 165,6 miljoen euro in 2018 naar 146,9 miljoen euro in 2024 (-11,3%).
De verhoudingen tussen de geldstromen blijven tussen 2018 en 2024 nagenoeg gelijk. In 2024 was de omvang van de eerste geldstroom het grootst met een aandeel van 92,6% in de totale baten, gevolgd door de derde geldstroom (4,5%), de overige baten (2,4%) en tot slot de tweede geldstroom (0,6%).
| Jaar | Eerste geldstroom | Tweede geldstroom | Derde geldstroom | Overige baten |
|---|---|---|---|---|
| 2018 | 4091,4 | 12,4 | 186,5 | 165,6 |
| 2019 | 4178,6 | 15,3 | 199,8 | 165,6 |
| 2020 | 4339,9 | 24,3 | 173 | 123,9 |
| 2021 | 4939,8 | 24,4 | 194 | 115,9 |
| 2022 | 5268,4 | 26,9 | 210 | 145,5 |
| 2023 | 5567,3 | 39,3 | 242,4 | 150,5 |
| 2024 | 5688,3 | 35 | 274,8 | 146,9 |
Definitie:
Deze DUO gegevens gaan over middelen voor onderzoek en onderwijs.
De eerste geldstroom omvat de Rijksbijdrage, overige overheidsbijdragen en subsidies, en collegegelden. De tweede geldstroom omvat alleen NWO-subsidies (bij de hogescholen vooral via SIA) zoals gerapporteerd aan DUO. De derde geldstroom omvat onder meer baten uit contractonderwijs en onderzoekssubsidies van derden. De overige baten worden niet nader gespecificeerd.
Deze indicator is gebaseerd op DUO-data (middelen voor onderzoek en onderwijs). De indicator over financiële middelen voor praktijkgericht onderzoek bij hogescholen is gebaseerd op data van de Vereniging Hogescholen (VH) en gaat alleen over middelen voor onderzoek. De tweede geldstroom op basis van DUO-data (onderwijs en onderzoek) is kleiner dan de tweede geldstroom voor praktijkgericht onderzoek op basis van data van de VH (het verschil wordt onder andere veroorzaakt doordat VH de EU-middelen ook tot de tweede geldstroom rekent).
Bron: Verantwoording uit XBRL - Onderwijs algemeen - DUO Open Onderwijsdata
Beschikbaar: Jaarlijks in juni
Publicatiedatum: 13 januari 2026