Om de omvang van het personeel werkzaam in Research & Development (R&D), en de onderzoekers daarbinnen, in perspectief te zetten, maken we een internationale vergelijking van het aandeel ervan binnen de werkzame bevolking. Daarnaast maken we inzichtelijk welk deel van het R&D-personeel werkzaam is in bedrijfsleven, het hoger onderwijs en bij publieke onderzoeksinstellingen. Deze indicator meet de relatieve omvang en ontwikkeling van een kenniseconomie. Hierbij maken  we onderscheid tussen ‘onderzoekers’ en ‘overig R&D-personeel’.

R&D-personeel

Als promille van de werkzame bevolking, 2024 (of dichtstbijzijnde jaar)

Bron: OESO/MSTI, VK: Eurostat

In 2024 werkt 19,3% van de werkzame bevolking in Nederland in de R&D sector. In 2020 was dit nog 17,5%, bijna 2 procentpunt minder. 

Hiermee komt Nederland in 2024  op de 7e plaats uit, boven de EU-27 en OESO-gemiddelden. Finland heeft in 2024 het grootste aandeel R&D-personeel (onderzoekers en overig R&D-personeel samen) per 1.000 personen werkzame bevolking. Denemarken, Zuid-Korea en België volgen. Finland en Zuid-Korea hebben het grootste aandeel onderzoekers. 

In de laatste vijfentwintig jaar neemt zowel het aandeel R&D-personeel als het aandeel onderzoekers gestaag toe in Nederland en het merendeel van de andere landen. Nederland kent een sterke groei van het totale R&D-personeel in die periode, evenals bijvoorbeeld België, Zuid-Korea en  China. Ook het aandeel onderzoekers neemt sterk toe in Nederland, evenals in bijvoorbeeld Zweden, Zuid-Korea,  en België. Vanaf 2011 stijgt het aandeel onderzoekers in Nederland sterker dan in een aantal andere landen. Dit is vooral dankzij een toename van het aantal onderzoekers in de bedrijvensector. Sinds 2011 ligt het aandeel R&D personeel boven de OESO- en EU-27 gemiddelden[WV1.1], en sinds 2012 ligt ook het aandeel onderzoekers in Nederland boven de OESO en EU 27 gemiddelden.

R&D-personeel naar sector in 2024

Als aandeel van het totaal, in fte

OESO/MSTI, VK: Eurostat

De grafiek geeft het aandeel R&D-personeel in verschillende sectoren weer als percentage van het totaal aan R&D-personeel in het betreffende land. Daarbij zijn de aandelen onderzoekers en overig R&D-personeel bij elkaar opgeteld. Dit maakt het mogelijk om de relatieve omvang van de R&D sector in verschillende landen te vergelijken. Absolute aantallen kunnen namelijk sterk verschillen tussen landen door verschillen in bevolkingsomvang en de omvang van de R&D-sector.

In Nederland werkt in 2024 74% van het R&D personeel in het bedrijfsleven. In 2020 was dit nog 71%, 3 procentpunt minder. In 2024 ligt het aandeel hoger dan het Europese gemiddelde (60%). Alleen in China en Zuid-Korea werkt een groter aandeel in het bedrijfsleven. Noorwegen, Italië, Singapore en Spanje kennen het laagste aandeel R&D personeel in het bedrijfsleven, waarbij Spanje als enige vergelijkingsland onder de 50% uitkomt. In de meeste landen zien we in de afgelopen vijf jaar een lichte toename in het aandeel R&D personeel dat in het bedrijfsleven werkt, waarbij dit aandeel in Canada met 5 procentpunt het meest is toegenomen. In Italië kent in diezelfde periode juist een stevige daling van 7 procentpunt in het aandeel R&D-personeel dat bij bedrijven werkt. 

Daarnaast werkt in 2024 22% van het R&D-personeel in Nederland aan een instelling voor hoger onderwijs. In 2020 was dit 23%, 1 procentpunt meer. Nederland zit hiermee in 2024 onder het Europese gemiddelde van 27%. De landen met het grootste aandeel R&D-personeel werkzaam aan een instelling voor hoger onderwijs zijn het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland en Ierland; daar werkt tussen de 36% en 39% van het R&D-personeel aan een instelling voor hoger onderwijs. De grootste toename in de afgelopen vijf jaar van het aandeel R&D-personeel in het hoger onderwijs was te zien in Italië (6 procentpunt). 

Het aandeel van het R&D-personeel dat bij een researchinstelling werkt is voor de meeste landen een stuk kleiner. In Nederland is dit aandeel 5% in 2024. In 2020 was dit 6%. Het land met het kleinste aandeel R&D-personeel dat bij een researchinstelling werkt is Zwitserland, met 1%. In Singapore (18%) en Spanje (17%) is dit aandeel juist relatief groot. De veranderingen in deze categorie zijn voor de meeste landen relatief klein.
Omdat deze data het aandeel R&D-personeel in verschillende sectoren als percentage van het geheel bedragen, kunnen we niet zeggen of veranderingen in het aandeel R&D-personeel in een bepaalde sector veroorzaakt worden door toe- of afnames van de totale hoeveelheid R&D-personeel in een land, door toe- of afnames van de hoeveelheid R&D-personeel in die sector, of onderlinge verschuivingen in de relatieve verhouding tussen de verschillende sectoren. 

Onderzoekers naar sector in 2024

Als aandeel van het totaal, in fte

OESO/MSTI, VK: Eurostat

De grafiek geeft het aandeel onderzoekers in verschillende sectoren weer als percentage van het totaal aan onderzoekers  in het betreffende land. Dit maakt het mogelijk om de relatieve omvang van de R&D sector in verschillende landen te vergelijken, specifiek als het gaat om het aantal onderzoekers, waarbij overig R&D-personeel buiten beschouwing word gelaten. Aantallen kunnen sterk verschillen tussen landen door verschillen in bevolkingsomvang en de omvang van de R&D-sector, en verschillende verhoudingen tussen onderzoekers en overig R&D-personeel.

Van de onderzoekers werkt in Nederland 72% in het bedrijfsleven. In 2020 was dat nog 69%, 3 procentpunt lager. Het aandeel onderzoekers dat in het bedrijfsleven werkt is in 2024 hoog vergeleken met het gemiddelde van de 27 EU-lidstaten (57%). Dit is alleen hoger in Zuid-Korea (82%), de VS (76%), Japan (75%) en Zweden (73%). In Italië, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Ierland en Zwitserland is dit aandeel het laagste, met aandelen kleiner dan 50%. In de meeste landen zien we in de afgelopen vijf jaar een lichte toename in het aandeel onderzoekers dat in het bedrijfsleven werkt. Een iets grotere toename van het aandeel werkzaam in het bedrijfsleven zien we in Canada (6 procentpunt meer), terwijl dit aandeel juist afnam in Italië (6 procentpunt minder) en Ierland (3 procentpunt minder). In deze landen steeg over dezelfde periode vooral het aandeel R&D-personeel werkzaam in het hoger onderwijs.

In Nederland werkte in 2024 van alle onderzoekers 24% in het hoger onderwijs. In 2020 was dat 25%, 1 procentpunt meer. Dit aandeel is in 2024 lager dan de EU-27 en OESO-gemiddeldes, en laag ten opzichte van koplopers Zwitserland (49%) en Ierland (48%). Voor de meeste landen is het aandeel onderzoekers werkzaam in het hoger onderwijs de afgelopen vijf jaar gedaald. In Canada daalde dit aandeel met 5 procentpunt het sterkst, terwijl het aandeel onderzoekers werkzaam in het hoger onderwijs in Italië en Ierland juist met respectievelijk 6 en 3 procentpunt toenam.

Daarnaast werkte in 2024 5% van alle onderzoekers in Nederland aan een researchinstelling, 1 procentpunt minder dan in 2020. Ook daarmee valt Nederland onder de EU-27 en OESO-gemiddeldes van respectievelijk 10% en 7%. China, Spanje en Singapore zijn met meer dan 14% de landen met het hoogste aandeel onderzoekers aan researchinstellingen in 2024. Voor de meeste landen is dit aandeel in de laatste vijf jaar vrijwel stabiel gebleven, met uitzondering van een daling van 3 procentpunt in China en Duitsland, en een stijging van 2 procentpunt in de VS (tussen 2020 en 2023).

Omdat[SV1.1] deze data het aandeel onderzoekers in verschillende sectoren als percentage van het geheel bedragen, kunnen we niet zeggen of veranderingen in het aandeel onderzoekers in een bepaalde sector veroorzaakt worden door toe- of afnames van het totale aantal onderzoekers in een land, door toe- of afnames van de het aantal onderzoekers in die sector, of onderlinge verschuivingen in de relatieve verhouding tussen de verschillende sectoren.