De overheid, bedrijven, huishoudens en organisaties in het buitenland geven geld uit aan mbo-instellingen of voor het (laten) volgen van middelbaar beroepsonderwijs (mbo).
Hieronder staan de uitgaven van iedere economische sector aan middelbaar beroepsonderwijs. Daarnaast worden de uitgaven aan de mbo-instellingen beschreven en de uitgaven aan mbo-instellingen per student.
Totale uitgaven aan middelbaar beroepsonderwijs
Per economische sector, mld euro
In het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) nemen bedrijven en huishoudens in 2024 34% van de uitgaven voor hun rekening. Bedrijven geven geld uit aan de begeleiding van stagiairs en mbo'ers in een leerwerktraject. Daarnaast betalen ze voor opleidingen van werknemers aan particuliere onderwijsinstellingen. Huishoudens met kinderen die een mbo-opleiding volgen, hebben uitgaven voor lesgelden, leermiddelen en schoolactiviteiten. In 2024 hebben bedrijven en huishoudens samen bijna 3,3 miljard euro uitgegeven aan middelbaar beroepsonderwijs. Het grootste deel van de uitgaven aan mbo wordt echter door de overheid gedaan, 66% in 2024. De overheid bekostigt de mbo-instellingen en geeft studiefinanciering aan mbo-studentens. Bedrijven worden bovendien met een subsidie gedeeltelijk gecompenseerd voor de kosten van het begeleiden van stagiairs en mbo'ers in een leerwerktraject.
In 2018 heeft het ministerie van OCW 870 miljoen euro in totaal vooruitbetaald aan de vervoersbedrijven voor de OV-studentenkaart van 2019, 2020 en 2021 voor studenten in het mbo, hbo en wo. Hierdoor zijn de overheidsuitgaven in 2018 een stuk hoger dan in andere jaren en wordt de ontwikkeling van de overheidsuitgaven vertekend. Een vooruitbetaling voor de OV-studentenkaart van 2022 die eind 2021 is gedaan door het ministerie van OCW, vertekent de ontwikkeling van de overheidsuitgaven in 2021.
| | Overheid | Huishoudens | Bedrijven | Buitenland |
|---|---|---|---|---|
| 2000 | 2,7 | 0,4 | 0,8 | 0,1 |
| 2005 | 3,6 | 0,7 | 1,1 | 0,1 |
| 2010 | 4,8 | 0,7 | 1,5 | 0,1 |
| 2015 | 4,9 | 0,7 | 1,6 | 0 |
| 2020 | 5,5 | 0,7 | 2,2 | 0 |
| 2021 | 6,2 | 0,6 | 2,1 | 0 |
| 2022 | 6,2 | 0,7 | 2,1 | 0 |
| 2023 | 6,4 | 0,9 | 2,2 | 0 |
| 2024* | 6,4 | 1 | 2,2 | 0 |
Figuur: Totale uitgaven aan middelbaar beroepsonderwijs
Bron: CBS
Definitie: De uitgaven van de overheid, huishoudens, bedrijven, non-profit instellingen en organisaties in het buitenland aan onderwijsinstellingen in het middelbaar beroepsonderwijs en middelbaar beroepsonderwijs op zich en de overheidsuitgaven met betrekking tot middelbaar beroepsonderwijs aan huishoudens en bedrijven.
Van deze uitgaven worden de ontvangsten afgetrokken. Voor het middelbaar beroepsonderwijs betreft dit voor de overheid de middelen voor onderwijs vanuit de Europese Unie, de rente op studieleningen en de terugontvangen studiefinanciering en tegemoetkoming in de schoolkosten die teveel of ten onrechte werd uitgekeerd. Voor huishoudens zijn dit de tegemoetkoming in de schoolkosten, de studiefinanciering die bedoeld is als tegemoetkoming in de uitgaven aan lesgeld, boeken en leermiddelen en openbaar vervoer en de vergoeding voor onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten. Voor bedrijven wordt de tegemoetkoming in de begeleidingskosten van duale leerlingen en stagiairs van de uitgaven afgetrokken. Behalve voor de rente, wordt dit gedaan om dubbeltelling te voorkomen (deze ontvangsten worden namelijk gebruikt voor de dekking van (een deel van) de uitgaven).
Een aantal uitgaven en ontvangsten wordt niet meegenomen in de berekening van de totale uitgaven aan onderwijs. Voor de overheid zijn dit de verstrekte studieleningen en ontvangen aflossingen op studieleningen en voor huishoudens de tegemoetkoming in levensonderhoud, de ontvangen studieleningen en de aflossingen hierop. Studieleningen en aflossingen op studieleningen worden buiten beschouwing gelaten, omdat leningen niet als echte uitgaven gezien worden: ze worden namelijk na een bepaalde periode terugbetaald.
De tegemoetkoming in het levensonderhoud heeft een algemeen doel zonder raakvlak met onderwijs en wordt om deze reden niet meegerekend als ontvangst voor onderwijs.
Middelbaar beroepsonderwijs betreft het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), de volwasseneneducatie en particulier onderwijs op dit niveau. Het middelbare beroepsonderwijs bestaat uit twee soorten beroepsopleidingen waarbij of de theorie (beroepsopleidende leerweg: bol) of de praktijk (beroepsbegeleidende leerweg: bbl) centraal staat. Van de volwasseneneducatie wordt hier alleen het voortgezet algemeen volwassenen onderwijs (vavo) meegenomen. Dit is zogenaamd tweedekansonderwijs, waarbij volwassenen alsnog hun diploma of een deelcertificaat op het niveau van de theoretische leerweg van het vmbo (voorheen mavo), de havo of het vwo kunnen halen.
Beschikbaarheidsdatum: jaarlijks in december
Publicatiedatum: 30 december 2025
Uitgaven aan mbo-instellingen
Mld euro
De uitgaven in het mbo zijn voor het grootste deel uitgaven aan onderwijsinstellingen. In 2024 zijn deze uitgaven 105 miljoen euro hoger dan in 2023.
| | Totale uitgaven aan onderwijsinstellingen |
|---|---|
| 2000 | 3,3 |
| 2005 | 4,7 |
| 2010 | 6,1 |
| 2015 | 6,3 |
| 2020 | 7,4 |
| 2021 | 7,8 |
| 2022 | 7,9 |
| 2023 | 8,5 |
| 2024* | 8,6 |
Figuur: Uitgaven aan mbo-instellingen
Bron: CBS
Definitie: De directe uitgaven van overheid, huishoudens, bedrijven, non-profit instellingen en organisaties in het buitenland aan onderwijsinstellingen in het middelbaar beroepsonderwijs. Alleen onderwijsinstellingen die regulier onderwijs geven zijn meegenomen. Dit zijn zowel door de overheid gesubsidieerde als particuliere onderwijsinstellingen.
Middelbaar beroepsonderwijs betreft het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), de volwasseneneducatie en particulier onderwijs op dit niveau. Het middelbare beroepsonderwijs bestaat uit twee soorten beroepsopleidingen waarbij of de theorie (beroepsopleidende leerweg: bol) of de praktijk (beroepsbegeleidende leerweg: bbl) centraal staat. Van de volwasseneneducatie wordt hier alleen het voortgezet algemeen volwassenen onderwijs (vavo) meegenomen. Dit is zogenaamd tweedekansonderwijs, waarbij volwassenen alsnog hun diploma of een deelcertificaat op het niveau van de theoretische leerweg van het vmbo (voorheen mavo), de havo of het vwo kunnen halen.
Beschikbaarheidsdatum: jaarlijks in december
Publicatiedatum: 30 december 2025
Uitgaven aan mbo-instellingen per student
Euro
De uitgaven aan mbo-instellingen per deelnemer zijn in 2024 gestegen tot 15.757 euro.
| | Uitgaven aan onderwijsinstellingen per deelnemer |
|---|---|
| 2000 | 6661 |
| 2005 | 8482 |
| 2010 | 10703 |
| 2015 | 11822 |
| 2020 | 13435 |
| 2021 | 14046 |
| 2022 | 14497 |
| 2023 | 15157 |
| 2024* | 15757 |
Figuur: Uitgaven aan mbo-instellingen per student
Bron: CBS
Definitie: De directe uitgaven van overheid, huishoudens, bedrijven, non-profit instellingen en organisaties in het buitenland aan onderwijsinstellingen in het middelbaar beroepsonderwijs. Alleen onderwijsinstellingen die regulier onderwijs geven zijn meegenomen. Dit zijn zowel door de overheid gesubsidieerde als particuliere onderwijsinstellingen. De uitgaven aan onderwijsinstellingen worden hier per deelnemer uitgedrukt.
Middelbaar beroepsonderwijs betreft het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), de volwasseneneducatie en particulier onderwijs op dit niveau. Het middelbare beroepsonderwijs bestaat uit twee soorten beroepsopleidingen waarbij of de theorie (beroepsopleidende leerweg: bol) of de praktijk (beroepsbegeleidende leerweg: bbl) centraal staat. Van de volwasseneneducatie wordt hier alleen het voortgezet algemeen volwassenen onderwijs (vavo) meegenomen. Dit is zogenaamd tweedekansonderwijs, waarbij volwassenen alsnog hun diploma of een deelcertificaat op het niveau van de theoretische leerweg van het vmbo (voorheen mavo), de havo of het vwo kunnen halen.
Beschikbaarheidsdatum: jaarlijks in december
Publicatiedatum: 30 december 2025