In het stimuleren van meer arbeidsdeelname is er in het emancipatiebeleid speciaal aandacht voor moeders. Vooral met een kleine baan kunnen zij een kwetsbare financiële positie hebben. Hoe verschilt de arbeidsdeelname van moeders met jonge en oudere kinderen? En maakt dan onderwijsniveau nog uit?
De grafiek toont de nettoarbeidsparticipatie voor samenwonende vrouwen met thuiswonende kinderen.
Nettoarbeidsparticipatie van (gehuwd) samenwonende vrouwen met thuiswonende kinderen naar onderwijsniveau, 2024 (exclusief onderwijsvolgenden)
in procenten
In 2024 had 84,3 procent van de samenwonende moeders tot 65 jaar met thuiswonende kinderen betaald werk voor minimaal één uur per week. Van de vaders met een partner en thuiswonende kinderen was dat 93,9 procent. Moeders met een afgeronde hbo- of wo-opleiding hebben vaker werk dan anders opgeleide moeders. Voor moeders met basisonderwijs of een vmbo-diploma en moeders met een mbo-niveau of daarmee vergelijkbaar hangt de arbeidsparticipatie samen met de leeftijd van het jongste kind. Zo participeren moeders met basisonderwijs of een vmbo-diploma minder met een jongste kind tot 12 jaar dan wanneer de kinderen ouder zijn. Dat geldt niet voor moeders met een afgeronde hbo- of wo-opleiding: bij hen is de arbeidsdeelname juist het kleinst als de kinderen meerderjarig zijn. De arbeidsdeelname van moeders met basisonderwijs of een vmbo-diploma is het grootst als het jongste kind 12 tot 18 jaar is.
| Onderwijsniveau | Jongste kind 0 tot 6 jaar | Jongste kind 6 tot 12 jaar | Jongste kind 12 tot 18 jaar | Jongste kind 18 jaar of ouder |
|---|---|---|---|---|
| basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 57,4 | 57,3 | 72,8 | 70,3 |
| mbo2-4, havo, vwo | 83,4 | 85,5 | 86 | 85,1 |
| hbo, wo | 89,6 | 91,5 | 90,3 | 87,4 |
Bron: CBS (Enquête Beroepsbevolking)
Definitie:
Nettoarbeidsparticipatie: het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking). Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking).
Onderwijsniveau: voor het behaalde onderwijsniveau wordt bepaald voor welke opleidingen een diploma is behaald, óf welke opleidingen volledig zijn doorlopen (als voor het behalen van de opleiding een diploma niet van toepassing is).. Als een opleiding niet is afgerond, gaat het om het onderwijsniveau dat wordt vereist om deze opleiding te kunnen volgen. Er is hier onderscheid in drie niveaus.
Basisonderwijs, vmbo en mbo1: dit omvat onderwijs op het niveau van basisonderwijs (bao), het vmbo, de eerste 3 leerjaren van havo/vwo en de entreeopleiding, de voormalige assistentenopleiding (mbo1).
Havo, vwo, mbo2-4: dit omvat de bovenbouw van havo/vwo, de basisberoepsopleiding (mbo2), de vakopleiding (mbo3) en de middenkader- en specialistenopleidingen (mbo4).
Hbo, wo: dit omvat onderwijs op het niveau van hbo (inclusief associate degree) of wo.
Data beschikbaar in: Jaarlijks in december
Gepubliceerd in het CMS: 10 november 2025