Het aantal vrouwelijke afgestudeerden aan de universiteiten is inmiddels gegroeid tot zo'n 50%. De verwachting is dat dat zijn effect heeft op het aandeel vrouwen binnen de verschillende wetenschappelijke functies.

Aandeel vrouwelijk universitair personeel per functiecategorie
OBPWP-totaalHGLUHDUDOverig WPPromovendi
200044,927,36,310,722,433,541,4
200145,027,97,111,222,733,940,9
200245,529,28,113,723,335,341,3
200345,729,98,514,224,535,141,5
200446,131,09,314,227,036,441,4
200547,532,09,915,728,037,241,5
200647,732,710,416,429,038,042,0
200748,733,411,217,130,338,542,4
200849,534,611,618,131,340,443,6
200950,235,712,319,232,241,245,0
201050,536,713,320,533,142,545,8
201151,037,614,721,634,842,846,2
201252,038,115,622,435,943,845,5
201353,038,416,324,536,943,745,3
201453,338,717,225,837,744,044,8
201553,739,118,126,839,144,544,4
201654,539,719,127,939,845,544,3

Binnen het wetenschappelijk personeel is het aandeel vrouwen het hoogst bij de groepen die het dichtst bij de afstudeerfase zitten, namelijk de promovendi en het overig wetenschappelijk personeel. Met het stijgen van de academische ladder neemt het aandeel af. Het aandeel is het laagst bij de hoogleraren met 19% eind 2016. Wel laat binnen het wetenschappelijk personeel, elke groep een stijging in het aandeel vrouwen zien.

VSNU / WOPI Brontabel als csv (739 bytes)