Er zijn grotere en kleinere universiteiten. De figuur laat zien hoe de onderzoekscapaciteit is verdeeld over de universiteiten naar geldstroom.

Onderzoekscapaciteit per universiteit en naar geldstroom, 2016 in fte
WP1WP2WP3
UU1136714627
LEI941699723
RU868573763
RUG1005360515
VU631422683
TUD511388830
UvA710467334
EUR840453209
UM653181641
UT587246309
TUE411276421
WUR375276310
TiU2998954
OU7901

Anno 2016 is de eerste geldstroom (WP1) nog steeds de grootste geldstroom met 44% van de totale onderzoekscapaciteit. De tweede geldstroom (WP2) neemt 25% voor zijn rekening en de derde geldstroom (WP3) 31%.

Bij alle universiteiten is het aantal FTE onderzoeksinzet WP1 groter dan de onderzoeksinzet WP2. Bij het merendeel van de universiteiten is het aandeel WP1 ook groter dan WP3. Uitzonderingen hierop zijn TU Eindhoven (TUE) en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). De Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Erasmus Universiteit (EUR) hebben een relatief groot aandeel WP2 onderzoeksinzet (meer dan 10% boven het gemiddelde aandeel WP2 onderzoekinzet) vergeleken met de andere universiteiten.

VSNU / KUOZ Brontabel als csv (241 bytes)