Geachte bezoeker vanaf eind juni 2018 wordt de informatie van https://www.trendsinbeeldocw.nl getoond op OCW in cijfers. De informatie is alleen verplaatst de inhoud is niet gewijzigd.

De Nederlandse overheid streeft naar een kwalitatief hoogwaardig wetenschapssysteem met goed presterende instellingen en ruimte voor talentvolle onderzoekers. We presenteren een aantal kerncijfers over het Nederlandse wetenschapsstelsel en de organisaties die er deel van uitmaken, zo mogelijk ook in internationaal perspectief.

Kengetallen

Stelsel in beeld

Hoge ambities voor de Nederlandse wetenschap

De ambities van het kabinet voor de komende 10 jaar zijn (Wetenschapsvisie 2025, november 2014):

  • dat de Nederlandse wetenschap van wereldformaat is;
  • dat de wetenschap verbonden is met de maatschappij en het bedrijfsleven en maximale impact heeft;
  • dat de Nederlandse wetenschap een broedplaats is voor talent.

In een kamerbrede motie in 2009 is het kabinet opgeroepen om als Nederland tot de top 5 van ’s werelds kenniseconomieën te gaan behoren, een motie die is ondersteund door het (toenmalige) kabinet. Tegen deze achtergrond kan geconstateerd worden dat Nederland op drie prestatie-indicatoren op het gebied van wetenschap – al jaren - tot de top 5 behoort. Zo is de kwaliteit van het Nederlandse wetenschappelijke onderzoek over de gehele linie bezien in internationaal perspectief zeer goed. Nederland behoort met de relatieve citatiescore tot de wereldtop. Voorts blijkt uit analyses van de onderzoeksevaluaties dat de kwaliteit van het Nederlandse universitaire onderzoek in de afgelopen twintig jaar is toegenomen en vrijwel al het onderzoek tenminste internationaal concurrerend scoort1. Ook de productiviteit (gedefinieerd als het aantal publicaties per onderzoeker) is zeer hoog. Dit hoge niveau is belangrijk voor de internationale kennispositie en aantrekkingskracht. Voorts dragen Nederlandse bedrijven relatief veel bij aan de financiering van (toegepast) wetenschappelijk onderzoek bij instellingen in de publieke sector. Daarentegen blijft het aantal innoverende bedrijven dat samenwerkt met publieke kennisinstellingen achter bij landen als Finland, België, Noorwegen en Oostenrijk. De uitstekende prestaties zijn gerealiseerd met R&D-uitgaven die lager zijn dan in veel andere landen, R&D-uitgaven die vooral in de private sector achterblijven. Overigens blijkt het dat verschuivingen in de positie op de verschillende indicatoren door de jaren heen slechts gering zijn.

1 Leonie van Drooge, Stefan de Jong et al (2013): Twintig jaar onderzoeksevaluatie, Feiten & Ciijfers 9. Den haag: Rathenau Instituut.

Internationale positie in de wetenschap
Nederlandse scoreInternationale gemiddeldeVijfde presteerder
RenD-uitgaven als % van het BBP85100130
Onderzoekers als promille van de BBV97100125
Aandeel internationale co-publicaties113100117
Private financiering van publieke kennisinstellingen159100159
Samenwerking innovatieve bedrijven met hoger onderwijs96100102
Samenwerking innovatieve bedrijven met publieke onderzoeksinstituten75100117
Aantallen promoties per 1000 (groep 25 tot 34 jarigen)100100117
Citatie-impactscore boven mondiaal gemiddelde162100128
Wetenschappelijke publicaties per 100 fte onderzoekers in de publieke sector144100117

Internationaal gemiddelde

Een punt buiten de ring ‘internationaal gemiddelde’ betekent dat Nederland het beter doet, een punt daarbinnen betekent een minder goede score dan internationaal gemiddeld. De landen waarmee wordt vergeleken hangen bij iedere indicator af van de bron. Voor EU-indicatoren van Eurostat wordt bijvoorbeeld alleen vergeleken met het gemiddelde van EU-landen, waar bij een OESO indicator wordt vergeleken met een gemiddelde voor de OESO landen.

Gegevens in een tabel

De waarden per indicator zijn omgerekend om de indicatoren onderling vergelijkbaar te maken. De echte waarden per indicator en per land zijn in het document onderaan de pagina te vinden.

OESO, CWTS/Clarivate Analytics: Web of Science, EUROSTAT, bewerking: Rathenau Instituut Brontabel als csv (640 bytes)

De Nederlandse wetenschap: een complex systeem met veel onderlinge relaties

Nederland kent een complex wetenschapssysteem: er zijn vele spelers die onderzoek financieren, programmeren, uitvoeren, erover adviseren en ondersteunen. In de loop van de tijd is het intermediaire niveau van het wetenschapssysteem met financierende en programmerende instituties complexer geworden. Ook op uitvoerend niveau is er sprake van een toename van al dan niet tijdelijke samenwerkingsverbanden (al dan niet virtueel) en onderlinge relaties. Daarnaast is het Nederlandse wetenschapssysteem in toenemende mate verbonden met de wetenschapssystemen van andere landen, zeker door de rol van Europa in het onderzoek. Dit alles wijst op een toenemende afhankelijkheid, maar ook toegankelijkheid en openheid van organisaties in het wetenschapssysteem. Klik hier voor een schematische weergave van het wetenschapstelsel.

Een open en toegankelijk wetenschapssysteem

Een toegankelijk wetenschapssysteem is een systeem waarin er voldoende mogelijkheden zijn voor contacten tussen onderzoekers onderling en voor voldoende kennisuitwisseling tussen onderzoekers en maatschappelijke organisaties. Veel van de onderlinge contacten vinden plaats op een meer informele basis, maar vaak ook door samenwerking in projecten, die vervolgens leiden tot gezamenlijke publicaties. Daarbij is het voor kleine landen als Nederland belangrijk om aansluiting te houden op de internationale kennisontwikkeling. Er is in de loop van de jaren een duidelijke toename te zien van de omvang van de internationale financieringsstromen (deels een financiële stroom tussen bedrijven en deels een stroom vanuit Europese programma’s) en een sterke toename van het aandeel internationale co-publicaties. Ongeveer 60 procent van de wetenschappelijke publicaties waarbij Nederlandse onderzoekers betrokken zijn, bestaat uit internationale co-publicaties. Dit aandeel internationale co-publicaties is in de loop van de jaren aanzienlijk gestegen. Wanneer we kijken naar de financiering door bedrijven van onderzoek in publieke kennisinstellingen (instellingen voor hoger onderwijs en researchinstellingen) dan zien we dat Nederland een hoog aandeel heeft vergeleken met andere landen. Alleen China, Duitsland, België en Zwitserland scoren in dit opzicht hoger.

Nederlands onderzoek van hoge kwaliteit

Nederland is op het wereldtoneel een kleine speler qua wetenschappelijke productie, met een aandeel van ongeveer 2,8 procent. Net als in andere landen is de wetenschappelijke productie waar Nederlandse onderzoekers betrokken bij zijn in absolute zin sterk gegroeid. Het grootste deel van deze publicaties is afkomstig van instellingen voor hoger onderwijs (vooral de universiteiten en universitaire medische centra). De combinatie van de wetenschappelijke productie en het aantal onderzoekers dat daaraan een bijdrage levert, leidt voor Nederland tot een hoge productiviteit. De output bestaat niet alleen uit wetenschappelijke publicaties, maar ook uit een toenemende groep van gepromoveerden met een groeiend aandeel vrouwelijke gepromoveerden (iets minder dan 50 procent). Internationaal is Nederland bezig met een inhaalslag wat betreft het relatief aantal promoties en neemt een middenpositie in.

De kwaliteit van het onderzoek waar Nederlandse onderzoekers betrokken bij zijn, was en is van een zeer hoog niveau en ruim boven het wereldgemiddelde, wanneer dat wordt gemeten op basis van het relatief aantal citaties naar wetenschappelijke publicaties. Nederland bezet daarmee internationaal een derde positie na Zwitserland en Denemarken. Nederland heeft ook een bovengemiddeld aandeel bij de publicaties die het meest geciteerd worden. Overigens is de citatiescore sterk afhankelijk geworden van de samenwerking met onderzoekers in andere landen. De citatiescore van internationale co-publicaties ligt hoger dan die van de overige publicaties. De kwaliteit van het Nederlandse onderzoek is niet alleen een zaak van de sector hoger onderwijs, maar laat zich zien in de volle breedte van het Nederlandse onderzoek, met name ook bij onderzoeksinstituten en bedrijven. Hier vindt u meer kengetallen over wetenschappelijke publicaties en citaties.

Het Nederlandse onderzoek is redelijk doelmatig

De totale R&D-uitgaven in Nederland als percentage van het bbp laten in de periode 1990-2008 een langzaam dalende lijn zien, maar stijgen daarna tot 2,03 procent in 2016. Lager dan een aantal landen waarmee Nederland zich vergelijkt, maar iets boven het EU-28 gemiddelde van 1,93. Waar het niveau van de uitgevoerde R&D in de publieke sector redelijk in de pas loopt met dat van andere landen, loopt de private sector achter bij de meeste andere landen. Zo voeren landen als Zweden, Zwitserland en Oostenrijk twee keer zoveel private R&D uit. Eén van de oorzaken hiervan is de Nederlandse sectorstructuur, die minder R&D-intensieve bedrijven kent dan andere landen. Zoals hiervoor aangegeven doet Nederland het wel beter dan andere landen wat betreft de private financiering van instellingen in de publieke sector (hoger onderwijsinstellingen en onderzoeksinstellingen). Klik hier voor meer financiële cijfers over wetenschap.

Tegen deze achtergrond kan het Nederlandse onderzoek in algemene zin als behoorlijk doelmatig worden gekarakteriseerd. Tegenover middelmatige investeringen staat een hoge wetenschappelijke output. Ook is de productiviteit per onderzoeker hoog, de productiviteit per euro ligt iets lager. Wel is het de vraag of wetenschappelijke talent optimaal wordt benut. Zo kent Nederland een relatief laag aandeel vrouwen in het onderzoek en kent het door NWO gefinancierde onderzoek lage honoreringspercentages, met name bij de Vernieuwingsimpuls.