Uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling

Het figuur toont de publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair (basisonderwijs) en secundair onderwijs (vo en mbo).

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs per leerling

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs per leerling In dollars, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2019)
PrimairSecundair
DEN1227312594
VS1378015538
ZWE1323413311
VK1193613041
BEL1172015007
FIN1057611894
DUI1062214390
NED1015014902
JAP937911493
FRA931213475
OESO992311400
EU-221014111673

De Nederlandse uitgaven aan onderwijsinstellingen per leerling in het primair onderwijs (basisonderwijs) liggen boven het OESO gemiddelde. In vergelijking met andere landen geeft Nederland een hoog bedrag per leerling in het secundair onderwijs (vo en mbo) uit. Dit is opmerkelijk en wordt vrijwel volledig verklaard door de private uitgaven per leerling in het mbo (betreft uitgaven van bedrijven aan leerlingen die duaal onderwijs volgen in de beroepsbegeleidende leerweg). Deze zijn gemiddeld bijna 40 procent hoger dan de uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs (vmbo, havo en vwo).

Bron: EAG 2022, tabel C1.1, tabel X2.2 Brontabel als csv (226 bytes)
Publieke en private uitgaven aan instellingen in het primair en secundair onderwijs aan het primaire onderwijsproces per leerling In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2019)
2019
VS13572
BEL13119
ZWE11844
DUI12895
DEN12259
NED12871
VK11178
FRA10299
FIN10222
JAP
OESO10363
EU-2210551

Uitgaven aan onderwijsinstellingen in het primair en secundair onderwijs kunnen verdeeld worden in uitgaven aan het primaire onderwijsproces en uitgaven ter ondersteuning van het onderwijs. Deze laatsten zijn bijvoorbeeld schoolmaaltijden en schoolvervoer verzorgd door de onderwijsinstellingen.In Nederland zijn deze uitgaven nihil, maar in sommige andere landen, zoals Finland, Zweden en Frankrijk, vormen ze 10 tot 13% van de totale publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen. Als we de uitgaven aan het primaire onderwijsproces vergelijken, dan geeft Nederland méér uit per leerling dan gemiddeld in de OESO-landen en meer dan in Finland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In de Verenigde Staten, België, Zweden en Duitsland zijn de uitgaven hoger dan in Nederland.

Bron: EAG 2022, tabel C1.4, tabel X2.2 Brontabel als csv (138 bytes)

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het hoger secundair onderwijs per leerling, naar type onderwijs

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het hoger secundair onderwijs per leerling, naar type onderwijs Voor enkele landen met een sterk duaal stelsel -In euro's, omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (2019)
Algemeen (in NED bovenbouw havo en vwo)Beroepsgericht (in NED mbo 2-4)
OOS1451319111
BEL1464815284
FRA1502017068
VK1429612125
DUI1446218648
NED1234616924
ZWE1189716012
FIN89379440
OESO1060912465
EU-221089112899

In het figuur wordt Nederland vergeleken met landen die ook een (sterk) duaal stelsel kennen, d.w.z. een combinatie van leren en werken zoals in de beroepsgerichte leerweg (de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het mbo in Nederland).
De uitgaven per leerling in het mbo zijn hoger dan in het algemeen vormend onderwijs. Dit geldt in de meeste vergelijkingslanden en het betreft voor Nederland vooral de (private) uitgaven van bedrijven aan onderwijs en begeleiding van de leerlingen op de werkvloer. De Nederlandse uitgaven per leerling in het algemeen vormend onderwijs zijn hoger dan het OESO-gemiddelde.
Voor het mbo liggen de uitgaven per leerling fors boven het OESO gemiddelde. Slechts een beperkt deel van de OESO-landen kent een duaal stelsel. Een vergelijking met het OESO-gemiddelde wordt verder beïnvloed door verschillen in bekostigingssystematiek en de mate waarin landen in staat zijn de private uitgaven van bedrijven aan leerlingen in de beroepsgerichte leerweg te kwantificeren. Zwitserland en Duitsland brengen hun uitgaven aan onderwijs op vergelijkbare wijze als Nederland in kaart.

Bron: EAG 2022, tabel C1.1, tabel X2.2 Brontabel als csv (248 bytes)

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het tertiair onderwijs (hbo en wo) per student

Publieke en private uitgaven aan instellingen in het tertiair onderwijs (hbo en wo) per student In euro's omgerekend m.b.v. koopkrachtpariteiten (uitgaven incl. en excl. R&D, 2019)
Tertiair incl RnDTertiair excl RnD
BEL2108213760
DEN216589841
DUI1960811148
FIN181299635
FRA1813612731
JAP19504
NED2088913299
ZWE2604612084
OESO1755912486
EU-221767011301

In de indicator zijn de collegegelden meegenomen, maar niet de uitgaven voor studiefinanciering. De Nederlandse uitgaven per student in- en exclusief R&D liggen boven het OESO-gemiddelde. In sommige landen vinden veel R&D activiteiten buiten de instellingen plaats, waardoor de internationale vergelijkbaarheid van de uitgaven inclusief R&D niet helemaal zuiver is.

Bron: EAG 2022, tabel C1.1 Brontabel als csv (208 bytes)