Bekostigingsmix culturele sectoren

Culturele instellingen ontvangen inkomsten uit verschillende bronnen. De drie belangrijkste zijn:

  • Subsidies: subsidies van het Rijk (ministeries, rijkscultuurfondsen), provincie, gemeenten of de Europese Unie. Hieronder vallen zowel exploitatie- en huisvestingssubsidies als structurele en incidentele subsidies.
  • Private middelen: bijdragen van private partijen (personen of bedrijven) waar geen (directe) tegenprestatie tegenover staat. Voorbeelden hiervan zijn bijdragen van private fondsen en giften van bedrijven of vriendenverenigingen. Dit is exclusief sponsoring.
  • Overige eigen inkomsten: bijdragen van private partijen waar een tegenprestatie tegenover staat. Voorbeelden zijn publieksinkomsten, inkomsten uit sponsoring, merchandising en horeca.

Ondestaande figuur beschrijft voor verschillende sectoren de verhouding van de type inkomsten. Een uitgebreide beschrijving van de samenstelling van de bekostigingsmix van de sectoren en de ontwikkeling daarvan is terug te vinden in de monitor economische ontwikkelingen in de cultuursector.

Bekostigingsmix 2016, naar sector
SubsidiesBijdragen uit private middelenOverige eigen inkomsten
Nederlandse filmproductie0,570,270,16
Filmsfestivals (BIS+NFF)0,470,110,42
Vrije theaterproducenten00,130,87
Gezelschappen (BIS+FPK)0,640,070,29
VSCD-podia0,430,050,52
VNPF-podia0,2600,74
Podiumkunstfestivals (BIS+FPK)0,440,170,39
Musea0,480,090,43
Presentatie-instellingen BIS0,740,050,2
Festivals0,130,10,77

Uit bovenstaande figuur blijkt dat verschillende culturele sectoren een verschillende bekostigingsmix hebben. Rijksgesubsidieerde instellingen kennen doorgaans een relatief grote subsidieafhankelijkheid, terwijl het aandeel subsidies bij podia en festivals veel kleiner is, bij dit type instellingen is het aandeel eigen inkomsten veel groter.

Presentatie-instellingen die onderdeel uitmaken van de BIS kennen de grootste subsidieafhankelijkheid. Bij dit type instelling bestaat driekwart van de financiering uit subsidies. Dit komt onder andere doordat deze instellingen over het algemeen gratis toegankelijke activiteiten aanbieden en dus weinig inkomsten uit de markt halen. Ook de rijksgesubsidieerde gezelschappen voor podiumkunst kennen een relatief hoge subsidieafhankelijkheid. De vrije theaterproducenten ontvangen geen subsidie en halen het overgrote deel van hun inkomsten uit kaartverkoop. Hierna is het aandeel subsidie is bij festivals het laagst, gevolgd door de poppodia. Beide halen haar inkomsten voor driekwart uit de markt. De Nederlandse filmproductie wordt voor een relatief groot deel bekostigd uit bijdragen uit private middelen.

Dialogic/APE, 2017 Brontabel als csv (420 bytes)
Ontwikkeling eigen inkomsten per sector, 2009-2016 Index 2009=100
VSCDVNPFGezelschappen BIS+FPKPK festivals BIS+FPKMusea
2009100100100100100
201096104109106125
201193102112116150
20128710296101172
201386101121120194
201487105122136216
201595115129140239
2016102132133147248

Tussen 2009 en 2016 neemt in nagenoeg alle sectoren toenemen. Het meest opvallend is de sterke stijging bij de musea, dit geldt zowel voor de rijksgesubsidieerde musea als voor de totale populatie. Dit komt onder andere door een forse stijging van de publieksinkomsten. Ook bij de rijksgesubsidieerde gezelschappen nemen de eigen inkomsten sinds 2013 flink toe. Een andere in het oog springende ontwikkeling is die bij de podia. Bij de VSCD podia daalde de eigen inkomsten tot 2014 sterk, maar is er de laatste jaren is er sprake van flinke groei. Ook de eigen inkomsten van de poppodia nemen sinds 2014 toe.

Dialogic/APE, 2017 Brontabel als csv (342 bytes)
Ontwikkeling subsidies per sector, 2009-2016 Index 2009=100
VSCDVNPFGezelschappen BIS+FPKPK festivals BIS+FPKMusea
2009100100100100100
20101019695101105
201198969298110
2012969192114107
201392918588104
2014951107986107
2015931428086111
2016102135798995

Subsidies nemen in de meeste sectoren af. Alleen bij de poppodia is er sprake van een groei. Die groei komt voornamelijk door een toename in huisvestingssubsidie voor ver- en nieuwbouw van podia. Als we de vijf nieuwbouw en herbouwde podia buiten beschouwing laten, dan is de ontwikkeling van de subsidie aan VNPF podia stabiel. De subsidie neemt het sterkst af bij de rijksgesubsidieerde gezelschappen.

Dialogic/APE, 2017 Brontabel als csv (327 bytes)